Dierenarts

Nou daar gingen we, naar de dierenarts voor de jaarlijkse enting van Gerrie en Moos. Of wacht, daar ging nog wat aan vooraf.

Om Gerrie in de mand te krijgen moet je goed beslagen ten ijs komen. Deze ex-zwerfkat kwam vier jaar geleden in ons leven en was geen menselijke aanraking gewend. Ik heb hem de eerste periode met een afwasborstel heel zacht over zijn rug geaaid als hij kwam eten. De eerste paar keer vond hij dat doodeng maar de honger was groter dan de angst. Heel langzaam wende hij zo aan aanraking en menselijk contact en leerde hij ons vertrouwen. Alleen dat laagje vertrouwen is heel dun en er hoeft maar iets te gebeuren en er blijft pure angst over.

De eerste paar jaar was het vreemd genoeg nog wel mogelijk om hem – toen hij eenmaal wat gewend was – op te tillen om bijvoorbeeld een pilletje te geven. Maar blijkbaar is hij dat gaan associëren met vervelende dingen, dus dat lukt niet meer. Het vreemde is dat hij wel heel aanhalig is. Ligt in bed tegen mij aan, vraagt aandacht op het opdringerige af, geeft kopjes en kusjes en zit soms minuten lang neus aan neus met mij. Maar dat is allemaal op zijn initiatief. Benader ik hem, dan blijft hij schrikkerig.

Toch zullen we wel een keer per jaar met hem naar de dierenarts moeten gaan, voor een enting en controle. Met zijn verleden van slecht en onregelmatig eten is het denk ik goed om hem regelmatig te laten onderzoeken. Ook omdat hij een hartruis heeft, iets wat helemaal niet erg hoeft te zijn maar wat wel goed is om te monitoren.

Leuk is anders. Elk jaar levert het bezoek aan de dierenarts veel stress op, bij hem en bij mij. Want ik ben de boeman die hem in de mand propt. Dit jaar dacht ik toen de oproep van de dierenarts kwam, slim te zijn. Ik ging eerst oefenen met optillen, besloot ik. Het optillen belonen met lekkers. En van daaruit zouden we gaan oefenen met de mand.

Dat probeerde ik al eerder en dat was toen een grote faal, en nu helaas weer. Met Dibbes lukt dit wel (ook een ex-zwerfkat) maar Gerrie wil het niet, doet het niet, verdomt het. Hij werkt een paar keer mee en dan rent hij keihard weg. Dus besloot ik dan maar weer over te gaan op alprazolam, een kalmeringsmiddel. Is hij eenmaal wat rustiger dan krijg ik hem wel in de mand.

Alprazolam krijg hij ook altijd op oudejaarsavond. De eerste pil diende ik afgelopen keer toe toen hij lag te slapen. Dat was dus een groot verrassingseffect. Heel vals van mij maar wel effectief. Bij de tweede pil later op die dag ontdekte ik dat hij het prima vindt om een stukje jonge kaas met daarin een pil verstopt, te eten. Vorig jaar lukte het op die manier met wat gerookte zalm.

Dus stapte ik afgelopen vrijdag vol zelfvertrouwen op Gerrie af met een stukje kaas met pil. Hij pakte het gretig aan, harkte het naar binnen met zijn tong en werkte het met dezelfde snelheid weer naar buiten. Dát moest hij niet! Dan maar op goed geluk. Gewoon eten gegeven en hem snel opgetild. Binnen een seconde was Gerrie aan de andere kant van het huis, droop er bij mij bloed uit diverse wonden en was mijn hartslag 130.

Afijn, eerst maar eens kalmeren. De man verzorgde mijn hand, dat was een lelijke jaap, en ik probeerde me te ontfermen over mijn hysterische brein. Ik had nog twee uur en een kwartier voordat we bij de dierenarts moesten zijn en zo’n pil heeft twee uur nodig om te gaan werken. Zonder pil, geen mand en geen dierenarts.

Ik had nog wat easypill. Dat is een kneedbare pasta die smaakt naar kattenbrokjes waar je een pil in kunt verstoppen. In het verleden was dit één keer een daverend succes maar werd het de volgende keer vol walging uitgespuugd.

Nu ben ik niet voor een gat te vangen, dus verstopte ik de pil in de pasta, vermaalde in de vijzel wat van zijn lievelingsbrokjes (Oral Care van Royal Canin) en rolde het stukje pasta er doorheen. Nu was het nét een normaal brokje en ook precies het formaat van zijn favoriete brokjes. Meneer zat me op de trap vol argwaan te bekijken, maar kon zijn favoriete brokjes niet weerstaan toen ik er vier aanbood, waarvan er dus eentje een wolf in schaapskleren was. Het werd gretig naar binnen gewerkt.

Nu gingen we over op fase twee van Operatie-Gerrie-in-de-mand: lekker op bed liggen en wachten tot de pil ging werken. Meestal komt hij bij me liggen als ik op bed lig en dat was nu ook het geval. Alleen bleef hij akelig alert tot het moment dat de man naar boven kwam met de mand. We hadden alles doorgesproken. Ik zou Gerrie pakken en met mijn rug naar de deuropening toe gaan staan zodat hij niet zou zien dat M. met de mand binnen kwam. Nou zag Gerrie dat sowieso niet, toen puntje bij paaltje kwam werd het een potje vrij worstelen waar kat en mens met een diepe wond in de ziel weer uit kwamen. Maar goed, hij zat in de mand. En zit hij daar eenmaal in, dán is hij zo mak als een lammetje, verstijfd van angst.

Op naar de dierenarts waar alles goed ging met Gerrie. Mooi op gewicht, gebit was goed en ‘hoppa, doei, tot volgend jaar‘. Met de dierenarts besproken welke dosis kalmeringsmiddel misschien meer effectief is voor een volgende keer. En mentaal een notitie aangemaakt dat ik een volgende keer kaas, gerookte zalm, leverworst én easypill paraat moet hebben alsmede een extra voorraad pleisters. Voor het geval dat.

Moos was ook mee. Die was niet goed op gewicht, beet de man in zijn hand toen hij zijn enting kreeg en heeft zowel op de heenreis en terugreis continu gejammerd. Maar dát is een heel ander verhaal.

Advertenties

Zieke Dibbes

Onderstaand verhaal is niet geschikt voor mensen die niet snappen hoe belangrijk huisdieren kunnen zijn in het leven. Dus behoor je tot die categorie, volgende keer beter! 😊

Vrijdagmiddag viel het op dat Dibbes niet naar beneden kwam voor brokjes. De katten krijgen verdeeld over de dag kleine porties en door hun ingebouwde klok waarvan het alarm staat afgesteld op een uur voor het daadwerkelijke eten, zaten er drie katten te wachten maar de vierde ontbrak.

Nu blijft er wel eens eentje langer een middagdut doen, zeker met koud grauw weer, maar een beetje vreemd was het wel. Pas in de namiddag kwam hij naar beneden, begon ineens enorm te blazen en toen te kotsen. Zo, dat was er maar uit. Hij wilde naar buiten gelaten worden maar stond een minuut later al weer binnen en rende naar boven.

Na een half uurtje ging ik even bij hem kijken. Toen hij me zag verstopte hij zich onder het bed. Dát was geen goed teken natuurlijk. Na een uurtje moest hij weer overgeven en daarna kroop hij weer onder het bed. Hij moest niets van me weten.

Toen M. thuis kwam, wilde meneer wel te voorschijn komen en installeerde zich op de bank tegen M. aan. Daar lag hij als een dood vogeltje, zich overduidelijk helemaal niet lekker voelend.

In de loop van de avond knapte hij iets op zodat we redelijk gerustgesteld naar bed gingen. Maar natuurlijk was ik er niet echt gerust op dus ging ik om één uur bij hem kijken. Hij was nog steeds flink beroerd zo te zien, zijn hele houding straalde misère uit. Even bij hem gezeten maar weer wilde hij absoluut geen contact met mij, dus ging ik maar terug naar bed. Maar ja, een beetje stresskonijn ben ik wel, zeker als het om mijn katten gaat, dus zat ik om drie uur al weer beneden. Slapen lukte toch niet dus ging ik Dibbes maar gezelschap houden.

Hoewel er tegen de ochtend wel iets verbetering was, hij zat overeind en keek wat meer geïnteresseerd om zich heen, belde ik onze dierenarts of we mochten komen. De praktijk is op zaterdagochtend alleen geopend voor afspraken maar soms mogen we wel eens tussendoor. En zou dat niet schikken, dan maar naar de dierenarts die weekenddienst had.

Hij at namelijk nog steeds niet. In tegenstelling tot een mens of hond die prima tegen een dag vasten kunnen, kan een kat dat niet. Een kat die niet eet – omdat hij bijvoorbeeld misselijk is – heeft kans op leververvetting. En door die leververvetting wordt een kat weer heel erg misselijk en is de kans nog kleiner dat hij weer gaat eten. Het is dus zaak altijd goed in de gaten te houden of je kat wel eet. Dibbes had nu 24 uur niets gegeten.

We mochten gelukkig dezelfde ochtend nog langskomen. Ik had hem voor de zekerheid in de vroege ochtend alprazolam gegeven, een kalmeringsmiddel, anders krijg ik hem niet in de mand.(*) Een half uur na toediening at meneer 3 brokjes, speelde even en viel toen in slaap.

We zijn toch gegaan. Want dat hij zich iets beter voelde lag waarschijnlijk aan de alprazolam, dat beaamde de dierenarts ook. Hij had geen koorts, er voelde niets vreemd aan in zijn buik, zijn gebit was ook goed (tandvleesontsteking kan ook voor eetproblemen zorgen). Maar dat hij niet at was wel zorgelijk. Dus kreeg hij een injectie met iets dat misselijkheid opheft.

Zou hij na de injectie eten en toch blijven overgeven, dan was er meer aan de hand en moesten we meteen naar de spoedarts gaan die dienst heeft dit weekend. Zou hij na de injectie niet binnen het uur willen eten, dan moesten we beginnen met dwangvoeren, we kregen daar de spullen voor mee.

Voor de zekerheid hebben we ook bloedonderzoek laten doen. Als we dat eventueel later op de dag, in geval van aanhoudend braken, bij de spoedarts moesten laten doen, dan betaalden we dubbel tarief. En dat bloedonderzoek was urgent als hij bleef braken.

Afijn, na €138 te hebben afgetikt stapte een doelgerichte Dibbes thuis de mand uit en verzocht luidkeels om eten. De dierenarts belde twee uur later op met het bericht dat alle bloeduitslagen goed waren. De kat van zes miljoen doet het weer! Nou ja, zo goed als. We merken wel aan hem dat hij zich nog niet helemaal jofel voelt. Dat kost nog wat tijd.

Wat het nu was? Waarschijnlijk toch een virusje of zo. En nu gaan mens en dier weer bijkomen, want het heeft er best ingehakt.

(*) voor nieuwe lezers: Dibbes is een getraumatiseerde exzwerfkat die we met veel moeite (en geld) hebben opgelapt en gesocialiseerd. Maar sommige dingen zijn nog te hoog gegrepen, zoals zelf in een mand stappen als hij ziek is.

Ben je kattenliefhebber? Alle verhalen over de katten, en het hele socialisatieproces van Dibbes en later Gerrie, staan op de kattenpagina.

Onrecht

Eten! Nu!

Hoi, Smoes hier. Ik moet even vertellen over het onrecht dat mij wordt aangedaan.

Er was een tijd dat ik 8 keer per dag te eten kreeg. Eten in grote porties. Nu niet meer. Ik begrijp er niets van. Het verhaal dat het komt doordat mijn schildklier weer goed werkt, is onzin, een afleidingsmanouvre. Ze wil me gewoon uithongeren.

Blijkbaar is mijn gewicht bepalend voor wat ik te eten krijg. Erg hè?

Mijn wanhopige blik, mijn rammelende buik, mijn goed doordachte gestaar, het wordt allemaal genegeerd.

Eten van de andere katten wordt zorgvuldig afgedekt zodat ik het niet kan jatten. En dat terwijl iedereen weet dat ik het meer nodig heb dan die goed doorvoede sukkels. Vind ik dan toch.

Als ik dan eindelijk eten krijg, stop ik mijn kop meteen in de bak. Dan moppert het mens dat ze de bak niet normaal kan vullen. Dat het is omdat ik bang ben dat ik helemaal niets krijg, snapt ze niet. Het is een mens hè, die zijn wat beperkt in mogelijkheden. Kan ze ook niets aan doen, maar kwalijk is het wel.

Tegenwoordig tilt ze de bak helemaal op om te vullen met brokken maar dan zet ik snel mijn poot erin. Voor je het weet komt die bak niet meer terug. Gaat ze wéér staan mopperen op me!

En trouwens, die weegschaal, daar wil ik het ook even over hebben, die manipuleert ze. Ze zegt dat ik ben aangekomen. Kan niet! Onmogelijk! Met dat hongerdieet dat ik nu volg?

Dus, wil iemand een schrijfactie voor mij opzetten, zoals ze dat doen bij Amnesty of zo. Dat jullie naar de dierenbescherming allemaal kaarten sturen om aandacht te vragen voor mijn verschrikkelijke situatie. En dat die dan haar op het matje roept en dat ze tot inkeer komt en ik gewoon weer 8 keer per dag krijg waar ik recht op heb. Iemand? Please?


Gespleten persoonlijkheid

Hoi, ik ben de buurkat.
Ik ben een beetje raar.
Thuis ben ik heel lief.
Maar daarbuiten,
breek me de bek niet open.

Mijn hobby’s zijn
in de sloot springen,
de buren terroriseren,
eten stelen,
hard miauwen
en Dibbes van achteren aanvallen.

Ik ben bijzonder eigenwijs.
Als ik door het ijs zak,
ga ik er meteen weer op.
Je weet het nooit,
misschien is het ijs nu wél goed.

Mijn mensen zijn op vakantie.
De opperkat van hiernaast
geeft mij en mijn broer eten.
Ik doe nu heel lief.
Wacht haar op als ze komt.
Ga klaar zitten bij mijn speeltjes.
En dan gaan we spelen.
Knuffelen doen we ook.
Ik kijk dan heel verliefd,
dat kan ik erg goed
al zeg ik het zelf.

Als ze weer weg gaat 
ren ik snel door het kattenluik.
Ik wacht haar op
in haar eigen huis.
Daar spring ik op het aanrecht 
en probeer brokjes te stelen,
ook al kreeg ik nét nog te eten.
Als die opperkat er iets van zegt
miauw ik heel boos en hard.
En soms, heel soms, bijt ik haar.
Best hard.
Echt.
En ik schaam me niet eens.

Ga ik nu snel weer naar huis,
wachten tot ze weer komt spelen.
Doei!





Smoes

Lekker gespeeld joh!

‘Gaat het wel goed met Smoes’, vroeg een lezer over de mail, ‘want ik lees niets meer over hem?’ Kan ik kort over zijn: Smoes gaat goed!

Voor wie net is aangehaakt op het blog: ik heb vier katten die allemaal wel iets mankeren, vooral door de gevolgen van het leven op straat en de trauma’s die daardoor zijn ontstaan. Maar soms ook gewoon door ouderdom.

Smoes is nu 12 jaar oud en in kattentermen is dat bejaard. Nu merkten we daar altijd weinig van want hij was altijd heel druistig, hyper en speels.

Smoes is als kitten gevonden in een doos in een sloot en nét op tijd gered en naar een opvangadres gebracht. Daar zagen wij hem voor het eerst, een heel klein bang cypers katje, samen met zijn zusje tussen een heleboel andere katten, totaal verloren.

Hij stal ons hart en kwam een paar weken later bij ons wonen. Na een aarzelende start, alles was eng en hij had continu diarree, werd het leven allengs beter en dat is het eigenlijk altijd gebleven. Op die ene darmoperatie na, 6 jaar geleden. Zijn eerste drol na de operatie werd met gejuich ontvangen en het leven ging weer verder met spelen en rennen en eten en op de pergola klimmen en het te druk hebben om langer dan een minuut te blijven liggen. Opzij, opzij, opzij!

Dit voorjaar viel het mij op dat hij niet meer over de pergola heen en weer rende. Springen op bed ging ook moeizaam, hij zakte zo door zijn voorpoten en hing dan aan de zijkanten van de dekbedhoes. Kan natuurlijk, hij is inmiddels een bejaarde kat.

Maar hij werd ineens ook wel heel erg mager. En dat terwijl hij als een dokwerker at. Toen hij drie ons zalm die lag te ontdooien had gejat en opgevreten en na een uur al weer om eten kwam bedelen, ging het alarm af en maakten we een afspraak bij de dierenarts. 

Omdat poes Dorrit ook een te snel werkende schildklier had, herkende ik de symptomen. De dierenarts vermoedde het ook en zei stoer dat ze haar schoen zou opeten als het dat niet zou zijn. Gelukkig voor haar hoefde dat niet, al had ik dat wel graag willen zien.

Meneer kreeg pillen en werd flink bijgevoerd en dat hielp iets maar niet voldoende. Dus besloten we in juli hem te laten opereren. Het deel van de schildklier dat verdikt was, is weggehaald. Bij katten kan dat, bij mensen niet. Na de operatie moet het overgebleven deel dan de hormoonproductie overnemen.

Sindsdien gaat het goed met Smoes, wat zeg ik, uitstekend! Al moest hij er wel aan wennen dat hij niet meer acht keer per dag eten kreeg. Dát was hem uitermate goed bevallen.

Wat wel vreemd is om te zien is dat hij sinds hij pillen kreeg en geopereerd is, veel rustiger is. Door de verhoogde schildklierproductie was zijn hartslag altijd heel hoog en dat zal ongetwijfeld hebben bijgedragen aan het hyper gedrag wat hij vaak vertoonde. Nu is hij in één klap veel rustiger geworden. Hij haalt veel rustiger adem en is toch ineens echt wel een bejaarde kater geworden die veel ligt te pitten. Met veel speelse momenten, dat gelukkig nog wel.

Dorrit

Op een dag -ik denk dat het in 1989 was – ging C, de zus van mijn toenmalige vriend, boodschappen doen en zag in de supermarkt een man met een klein katje in zijn jaszak. Het katje maakte een gestreste indruk en C. sprak hem aan. Dat dit toch niet een plek was om een kat mee naar toe te nemen. Voor ze het wist kreeg ze het beest in haar handen geduwd en was de man verdwenen.

Thuisgekomen werd ze bepaald niet enthousiast ontvangen door de vijf katten die ze al had. Dat was al veel te veel op haar kleine bovenwoning, gezinsuitbreiding was niet gewenst! Dus zat het poesje vooral onder het bed en liet zich niet zien. Ook omdat de katten des huizes zich voor het bed hadden gepositioneerd, vastberaden de kleine indringster een lesje te leren.

En daar kwam ik in beeld. C. belde of ik het poesje wilde komen halen want dit ging niet. Nu zag ik het wat somber in, mijn kat Joris had een nogal uitgesproken karakter en ik wist niet hoe dit zou uitpakken. Ik wist bovendien heel zeker dat ik een kat genoeg vond. Maar ik was wel bereid haar te komen halen en een huisje voor haar te zoeken. Ik ging meteen rondbellen.

Dus zat ik de dag erop in de tram met een heel klein poesje op schoot, een kitten nog. Ze was allerschattigst om te zien! Een heel klein elegant zacht zwart-wit poesje. Ik was op slag verliefd. Dat ik ging rondbellen floepte zo uit mijn brein, nooit meer aan gedacht.

Joris was ook op slag verliefd. Vergeten waren zijn agressieve buien, zijn sloopaanvallen en zijn gilpartijen. Hij had nu een doel in het leven: Dorrit!

Ze kon en mocht alles, van hem en mij. Dus sliep ze bovenop hem op de bank. Op mijn hoofd in mijn bed. Ze lag in de col van van mijn coltrui en liet zich zo ronddragen, als een kangaroo in een buidelzak. Ze was speels, schattig, aanhankelijk en had niets overgehouden aan haar slechte start in het leven.

Toen ze een jaar of vier was, werd ze ziek. Ze kreeg zware aanvallen die aan epilepsie deden denken. Heel beangstigend om te zien. Ik nam vrij van mijn werk en bleef twee weken thuis. Als ze een aanval had, dan gooide ik een handdoek over haar heen en hield haar stevig vast, zodat ze zich niet kon bezeren. Ze hallucineerde overduidelijk en zag ze letterlijk vliegen. Er kwam van alles uit de muren kruipen, zo leek het wel als je naar haar keek en haar reacties zag.

Wat het was, geen flauw idee. De arts dacht aan een soort vergiftiging. Na een paar weken verdween het net zo plotseling als het was gekomen.

Naast dat ze schattig was, had ze ook streken. Ze haatte tulpen en bracht er al eens iemand per ongeluk een bos tulpen voor mij mee, dan wist ze die binnen een minuut te onthoofden.

Mijn ouders hebben een paar keer op Dorrit en Joris gepast toen ik op vakantie ging. De bovenverdieping van hun huis werd katvriendelijk ingericht terwijl de hond beneden zich afvroeg wat daar toch zat boven. Het was een paradijs voor ze daar, met een uitgezet speelparcours om ze lekker bezig te houden.

Dorrit heeft zich de eerste keer toen ze daar logeerde onder het bad geparkeerd en pas toen mijn vader het bad van zijn plek haalde, kwam madam weer tevoorschijn.

De tweede logeerpartij bleek ze het nieuwe behang dat mijn ouders op de bovenverdieping hadden, heel geschikt te vinden om tegen aan te springen en dan met de nagels uit zo langzaam naar beneden te zakken. Dorrit wist wel wat leuk was!

Ze had een allergie en zat altijd onder de korstjes. Van alles geprobeerd, ook met voeding. De dierenarts stelde voor haar voeding te geven waarvan we zeker wisten dat ze het nog nooit had gegeten, om zo te kijken of de allergische reacties verdwenen. Want vooral eiwitten van dierlijke oorsprong kunnen allergische reacties geven.

Dus stonk het in ons huis weken naar gekookt geitenvlees. M. haalde dat op zaterdagochtend bij een islamitische slager en ik gooide dat in de pan. Stinken als hel maar het maakte helaas niets uit. Wat wel hielp waren de injecties met corticosteroïden die ze daarna twee keer per jaar kreeg. Die maakten dat de allergie – of wat het ook was – redelijk onder controle was.

Op hoge leeftijd viel ze ineens erg af en bleek ze een te snel werkende schildklier te hebben. Vanaf dat moment moesten we er pillen in proppen. Dat was best heftig want buiten tulpen haatte ze ook de dierenarts en pillen. Zo klein en schattig als ze altijd was, zo angstaanjagend en fel kon ze uitslaan met haar nagels.

Maar alles went, zelfs een pil. Uiteindelijk bleek het sop de kool niet waard en accepteerde ze het. Net zoals ze Moos en Smoes accepteerde nadat Joris was gaan hemelen. Ze wilde niet met ze spelen, ze waren te jong en te druistig voor haar, maar ze waren wél handig om op te liggen.

Ze is 20 jaar geworden. Ingeslapen op haar eigen plekje, op 23 april 2009. We hebben de dierenarts thuis laten komen. Ze was al een tijdje ziek. Vlak voor de dierenarts kwam wilde ze de tuin in. Dat was bijzonder want ze was al lang niet meer buiten geweest. Ze deed een laatste rondje tuin en bleef overal staan. Kijken en ruiken, koppie in de zon. Afscheid nemen van een leven dat lang en fijn was. Mijn kleine meisje.

Job

beetje wazige foto maar de enige die ik heb van Job

In Amsterdam kwam bij ons in 2002 kater Job aanlopen. Ik was hoogzwanger en er liep bij ons in de tuinen achter regelmatig een zwarte kater rond, luid miauwend en aandacht trekkend. Dus werd er wat gescharreld, dat begrijpen jullie wel. Op een dag kwam ik de huiskamer in en daar lag meneer, op de vensterbank, zo op het oog helemaal relaxt. Wat volgde was eerst navragen in de buurt en toen niemand hem bleek te kennen voorzichtig wederzijds aftasten. Overdag zat hij bij ons binnen maar wel op voorwaarde dat de deur openbleef. Anders raakte hij in paniek. ’s Nachts ging hij op stap.

Achteraf vind ik het onbegrijpelijk dat deze kat ons op dat moment uitkoos. S. werd geboren en het babygehuil – dat vrijwel continu doorging, hij was een huilbaby – was voor de katten die we al hadden behoorlijk stressvol. Maar Job trok zich daar niets van aan.

Op een dag verdween hij ineens en was een flinke tijd spoorloos. ‘Dat was dat’ dachten we maar vonden het wel jammer, we waren net aan het idee van 3 katten gewend geraakt. Tot we via via op de hoogte werden gebracht dat hij aan de andere kant van het huizenblok doodziek in een tuin had gelegen en naar een kattenopvang in Amstelveen was gebracht.

Hij was meer dood dan levend, geopereerd aan een liesbreuk, mankeerde van alles en nog wat en was meteen ook maar gecastreerd. Op hun vraag of het onze kat was, antwoorden wij dat dit nog niet helemaal het geval was (hij was immers aan komen lopen en weer verdwenen) maar dat we hem wel graag wilden houden en dat de kosten daarom voor ons waren. Uiteindelijk werden de kosten van het oplappen van Job gedeeld door de kattenopvang, onze bovenbuurvrouw (ach, dat is zo’n schat, dat beessie) en ons. Dat was fijn want de rekening was enorm hoog.

Afijn, Job kwam ontmand en opgelapt ons huis weer in alwaar wij hem een tijd  binnen hielden om hem goed aan ons te laten wennen. Toen hij weer naar buiten mocht ging het dagelijkse leven verder in onze Amsterdamse tweekamerwoning met onze net geboren baby, 3 katten en een konijn (dat overigens ook is aan komen lopen, echt waar!). Tussen Job en de andere twee katten ging het goed. Hij stelde zich onderdanig op naar Joris die de baas was en Dorrit vond iedereen lief. 

Op een dag werd er aangebeld. Ik deed open. In de deuropening stond Job met achter hem een man en een vrouw. Ze vroegen me of ik de kat kende. Ik legde uit dat hij was aankomen lopen en sindsdien bij ons woonde. Het stel vertelde toen een ongelofelijk verhaal: Job was een paar maanden daarvoor bij hun aan komen lopen. Op een dag was het voor hem tijd om gecastreerd te worden. Dus hop, kat in de doos, in de auto en op weg naar de dierenarts. Bij het verlaten van de auto zag hij zijn kans – ontmand worden, dacht ’t niet! – en ging er vandoor. Om vervolgens bij ons aan te komen lopen, 2 of 3 huizenblokken verderop. Ze hadden hem enorm gemist en naar hem gezocht. Meneer was ineens weer op komen draven en had ze meegelokt naar ons huis, alwaar hij voor onze voordeur ging miauwen. Toen ik opendeed, wandelde hij naar binnen en was klaar met het verhaal.

Je kunt je voorstellen dat we dit stel echt heel vreemd aankeken, onze nieuwe kat is naar zijn oude baasjes gegaan, heeft ze meegelokt naar ons huis en ze voorgesteld aan ons, zijn nieuwe baasjes? Heel bizar! Even was er een behoorlijk ongemakkelijk moment want ik was bang dat ze hun kat zouden opeisen maar ze besloten dat Job duidelijk had gekozen en door dit voorval afscheid van hen had genomen. Als ik dit niet zelf had meegemaakt, zou ik moeite hebben dit te geloven!

Hij verhuisde mee van Amsterdam naar Hoorn en genoot van de extra vrijheid die dat bood. Het was een vreemd beest met streken. Echt aanhalig was hij niet maar wel zo af en toe als het hem uitkwam en hij was wel erg op ons gesteld, dat merkten we wel. Zijn favoriete spel was ’s nachts op je voeten springen met alle nagels uit. Hij liep ons overal achterna. Als ik S. ging ophalen van de peuterspeelzaal, liep Job mee en maakte een enorm kabaal als ik naar binnen ging. Stond ik daar binnen met de leidster te kletsen dan zag ik Job op zijn achterpoten met zijn voorpoten gestrekt tegen het raam staan, keihard gillend. Hij liep mee naar het IJsselmeer, naar de apotheek tot aan de HEMA aan toe waar hij voor de deur bleef wachten. Echt relaxt winkelen was dat niet dus ging ik weer snel naar huis, met Job achter mij aan.

Ik zou nu natuurlijk graag willen schrijven dat Job nog heel lang en gelukkig heeft geleefd, maar helaas. Hij is niet heel lang na onze verhuizing van Amsterdam naar Hoorn overleden, hij lag ineens dood in een hoek van de kamer, heel vreemd. Ik denk dat hij is aangereden en een interne bloeding had.

Onze Moos – die ook is aan komen lopen – is een exacte kopie van Job – die toch echt was gecastreerd – qua uiterlijk en gedrag. Het leven haalt vreemde fratsen uit.

ps: eerder deelde ik het verhaal van Job iets minder uitgebreid in een andere blogpost die ook over Dibbes en Gerrie ging. Ik vond dat hij ook een eigen blog verdiende. Moet ik hierna alleen nog eens het verhaal van poes Dorrit en konijn Dora schrijven, dan is het compleet wat de beestenboel betreft.

Joris

Hoewel ik dol ben op kittens heb ik er weinig ervaring mee. Het dichtst in de buurt komen Smoes en Moos die naar schatting drie tot vier maanden waren toen we ze vonden (Moos) en via het asiel kregen (Smoes). Dat komt ook omdat ik mezelf nooit toestemming heb gegeven om zo vanuit een nestje een kitten te nemen. Ik vind dat wie een huis nodig heeft, de weg wel naar ons vindt. Kittens komen meestal wel terecht maar oudere katten waar iets mee is, hebben meer moeite om een huis te vinden.

Zo was het ook met mijn eerste kat, Joris. Een zwart-witte koe-kater van 6 kilo met een nogal uitgesproken karakter. Hij zwierf begin jaren ’90 op de Prinsengracht in Amsterdam en werd daar gevoerd door bewoners. Toen hij ziek werd brachten ze hem naar het dierenasiel. Daar zat hij te verpieteren want niemand wilde hem. Hij was nogal wild en onaangepast.

Toen ik op een dag besloot het kattenleed in de wereld te verminderen door er op zijn minst eentje te redden, toog ik naar het asiel met mijn huisbaas B. Hij had een auto en ik niet, vandaar. 

Doet u mij de kat die hier het langst zit‘, zei ik zelfverzekerd. Waarop me werd verteld dat dát niet aan te raden was, het beest was een kreng. Na wat onderhandeling besloten we dat ik even met de kat alleen mocht zijn om te kijken of er een klik was.

Die was er niet, meneer zat met zijn rug naar me toe en keek niet op of om. Dan had ik nog geluk, want meestal viel hij mensen aan. Zijn houding veranderde op slag toen ik een touwtje tevoorschijn haalde. Hij was dan een kreng, hij was ook speels! Dus besloot ik het erop te wagen.

Omdat ik nog geen kattenreismand had, kreeg ik van het asiel een kartonnen reismand mee. Tijdens de rit terug zag ik eerst een nagel en toen meerdere nagels door het karton snijden en bij thuiskomst zaten we met een dolle agressieve kat in de auto die we toch op de één of andere manier het huis in hebben weten te krijgen. Hoe precies, dat weet ik niet meer, dat heb ik waarschijnlijk verdrongen.

Dat was het begin van vele momenten dat ik op tafel kroop en koest! af! lief! riep. Werkte niet natuurlijk. Wat ik eraan moest doen wist ik niet. De enige kattenervaring die ik tot dan toe had was met onze kat Floris bij mijn ouders thuis, die we poppenkleertjes konden aandoen en dan gingen we met hem wandelen. Dat was geen kat maar een lief sukkeltje en niet te vergelijken met het monster dat ik in huis had genomen.

Alles ging eraan. Wollen truien werden zonder pardon binnen een paar minuten uit elkaar gerukt met nagels en tanden. Het terrarium van huisbaas B. dat beveiligd was met dubbel glas en zijn grote trots, bleek een makkelijk te schillen appeltje voor Joris te zijn. Ontdekte ik, toen ik hem midden in de glasrestanten zag zitten met een staart uit zijn bek.

Op een dag werd er aangebeld en bleek Joris van vier hoog naar beneden achter een duif aan te zijn gesprongen. Hij had een gebroken heup. Ik had inmiddels een lege portemonnee na het opnieuw inrichten van het terrarium, het continu moeten betalen voor de schade die hij aanbracht in huis en de dierenartskosten.

Toch was die gebroken heup wel een omslag. Hij kon niet lopen maar alleen een beetje kruipen en hij had mij nodig om bijvoorbeeld op zijn bak te kunnen. De band tussen mens en kat verbeterde aanzienlijk.

Die werd nog beter toen ik een vriend kreeg die niet op tafel kroop als hij agressief deed – de kat, niet mijn vriend 😉 – maar die deed wat Joris deed, er achter aan rennen dus. Ik zou het zelf nooit aanbevelen maar bij deze kat werkte het. Hij werd wat rustiger en beter benaderbaar. Al zat bezoek nooit echt lekker op de bank als hij zat te loeren naar ze.

De grote omslag in het leven van Joris kwam toen ik een klein poesje mee naar huis nam. Mijn toenmalige schoonzus had in de supermarkt een man aangesproken die een kleine kat in zijn jaszak had. Hij drukte het beest in haar handen en verdween. Maar zij had al 5 katten, een kleuter en een bijstandsuitkering en bovendien waren haar katten absoluut niet gecharmeerd van het poesje. Dus  zat ik voor ik het wist in de tram met dat katje onderweg naar huis, met de belofte dat ik er een huisje voor zou zoeken. Ondertussen hopend dat Joris niet dacht dat ik een lekkere snack voor hem had meegebracht.

Groot was de verbazing toen Joris een complete gedaanteverandering onderging. Aanvankelijk was er wat geblaas en gegrom maar na de eerste nacht werd ik wakker en zag ik ze op de bank in elkaars poten liggen. Joris was verliefd, héél erg verliefd. En werd daarmee de goedzak die hij bleef tot hij op hoge leeftijd overleed.

Ik kon alles met hem doen, hij was lief en groot en erg aanwezig en heel gelukkig met zijn Dorrit. Hij was overweldigend in de aandacht die hij kon geven, voelde het aan als ik verdrietig was en kwam me dan troosten. Streken bleef hij wel houden. Hij speelde graag dat hij dood was als vriendin S. hem eten ging geven als ik op vakantie was. Dan lag hij met de poten in de lucht, niet knipperen met zijn ogen, niet zichtbaar ademen en als S. dan voorzichtig naderde – ze is allergisch voor katten het arme mens – sloeg hij toe.

Hij overleed op 7 juni 2006. We gingen meteen daarna op vakantie naar Italië en ik zie me nog liggen in de tent, brullend van verdriet. Toen ik Smoes via het asiel kreeg in september 2006, heeft het asiel een geschatte geboortedatum in zijn dierenpaspoort gezet. Geschat, want Smoes was gevonden (in een sloot in een doos maar dát is een ander verhaal). Toen ik die datum zag kreeg ik wel even kippenvel: 7 juni 2006. Dat heeft zo moeten zijn.

Alle katten zijn mij dierbaar. Maar Joris was een wel heel bijzonder beest. En dat was hij.

5 jaar Dibbes!

Ik ben Dibbes.
Mijn hoofd is leeg.
Ik heb geen zorgen.
Mijn buik is vol.
Het bed is zacht.
Mijn bak is gevuld.

Ik heb een huis.
Gevuld met mensen
die mij knuffelen
en aaien.
Die mij zien.
Die mij zagen
toen niemand mij zag.

Ik heb nu een naam.
Ik ben Dibbes.
Ik ben thuis.

(Vandaag vieren we het 5 jarig jubileum van Dibbes als huiskat!)