Wijs op woensdag: Maximaal lezen

Was ik toch vergeten op publiceren te drukken, sorry Pennie!
Een bijdrage van onze vaste gastblogger Pennie Wijs….

(vervolg op maximaal leven en maximaal wonen)

Zit je nou weer een weblogje te lezen? Waarvoor is dat? Heb je niks beters te doen dan? Moet je niet een kast leegruimen of je complete garderobe aan de stoeprand zetten? O, dat heb je al gedaan. En ook nog eens al je boeken de deur uit gewerkt? Ja, dan heb je nu niks serieus meer te lezen en zit je een beetje armoedig naar een schermpje te staren. Kijk nou eens hoe je daar zit. Wat vind je daar zelf eigenlijk van?

Maar ik snap wel hoe het zover gekomen is. Je dacht: wat moet ik nog met het Margriet Kookboek van 1972? Of met de 49-delige Winkler Prins encyclopedie? Of met de taaie geschiedenis van die Franse familie die zich generaties lang te pletter tobt tegen de achtergrond van reformatie, contrareformatie en humanisme. Of het verhaal over dat ketterse dorp in de Pyreneeën? Eerlijk bekennen: gekocht wegens serieuze aanbevelingen, maar nooit uitgelezen zeker? Nou, dan is het maar beter ook dat al dat muffe spul de deur uit is.

Ondertussen is het wel zaak om je weer eens los te weken van je scherm en terug te keren naar het echte leeswerk. Want van weblogjes doorsnuffelen is nog nooit iemand wijzer geworden, dat is wetenschappelijk aangetoond. Je wilt je tijd natuurlijk best aan iets zinnigs besteden en lekker echte, mooie boeken gaan lezen, maar je weet niet welke dan. Omdat ik even niks anders te doen heb zal ik je op weg helpen.

Tip 1: Koop geen zelfhulpboeken. Want voor het geval je het nog niet zelf ontdekt hebt: ze helpen niet. Ben je op zoek naar de zin van ziek zijn, de zin van je pijn, de zin van je verdriet, oftewel de zin van het leven? Die kan ik je in één zin verklappen: is er niet. Klinkt hard, maar zo simpel is het. Niet getreurd, daartegenover staat een groot voordeel: je hoeft er nu niet meer naar te zoeken. De kunst is om zelf zin aan je leven te geven. Of er zin in te hebben. En als je geen zin hebt, dan máák je maar zin, zei mijn moeder altijd.

Nou is het leuke dat je heel veel over het leven kan leren door goede boeken te lezen. En als je van die dagen (of maanden, of jaren) hebt dat je nergens zin in hebt en al helemaal niet in je eigen leven, dan ga je gewoon lekker zitten lezen over dat van anderen.

Tip 2: Voor jongeren die voor een studiekeuze staan: kies Nederlands. De taal spreek je al, dus daar ben je geen tijd mee kwijt en je gaat gewoon lekker boeken zitten lezen, terwijl je iedereen inclusief jezelf wijsmaakt dat je hard aan het studeren bent. Velen gingen je voor, je krijgt er geen spijt van. Of wel, maar dan is het te laat.

Tip 3: Lees goede boeken. Dus niet die flufferige niemendalletjes die geschreven worden door types die toevallig eens met hun neus op de buis zijn geweest, of uitweidingen over een heleboel tinten van een saaie kleur, of voedingsadviezen van iemand die toevallig een zus heeft die er leuk uitziet en denkt dat vogelzaad eten effect heeft op je levensgeluk. Onzin natuurlijk. Dus gauw aan het echte werk. Begin gewoon bij de klassieken. Die hebben hun kwaliteit bewezen.

Tip 4: Begin (weer) eens bij de meesterwerken die je laten zien hoe je slechts een speelbal bent van het noodlot, overgeleverd aan de gramschap van de goden, de invloed van je milieu en je karakter. Lees de Ilias en Odyssee; er is een prachtige vertaling. Heb je niet zo’n zin om terug te keren naar de oude Grieken, dan kun je de kracht van het noodlot ook vinden bij allerlei dames van later tijd: Anna Karenina, Madame Bovary, Eline Vere. Of Effi Briest. Of La Regenta. Of toch liever nog een Française? Thérèse Desqueyroux!

Geniet ervan! En als je ze allemaal uitgelezen hebt en dan nóg durft te beweren dat je liever een kast leegruimt, ja, dan weet ik het ook niet meer, dan geef ik het op.

Wijs op woensdag: maximaal wonen


Een bijdrage van vaste gastblogger Pennie Wijs:
(vervolg op maximaal leven)
Als je je qua woongenot hebt laten intimideren door die gekke opruimMarie, ja dan zit je nu mooi met de gebakken peren. Zeg niet dat ik niet gewaarschuwd heb. Eigen schuld, dikke bult. Zit je nu te luisteren naar het geluid van klepperende kindervoetstapjes dat ketst tegen de kale muren? Kun je niet meer met goed fatsoen telefoneren omdat het wel lijkt of je in een echoput woont sinds je al je vloerkleden de deur uit deed? Krijg je koude rillingen van die witte wanden om je heen? Verveel je je ’s avonds te pletter omdat je zowel je tv als je boekenkast naar de kringloop bracht? Geen nood, er is nog hoop.
Ja maar Pennie, roepen jullie nu paniekerig, het mag allemaal niet teveel gaan kosten hoor! Nee, natuurlijk niet, jullie kennen me toch. We gaan op heel eenvoudige wijze je huis weer leefbaar maken. En mijn adviezen zijn nog gratis ook, je hoeft er niet eens een boek voor te kopen. Let op, daar gaan we.
Punt 1
Hang schilderijen op. Helemaal niet moeilijk, want je kunt gewoon kiezen wat je zelf leuk vindt. Kijk bij de kringloop. Koop gerust reproducties. Vraag of opa en oma nog iets leuks voor je hebben. Of maak desnoods iets zelf. Hoe moeilijk kan het wezen? Zoek op internet een leuke Karel Appel of Van Gogh op, koop een paar potten verf in de aanbieding en laat je inspireren. Of maak foto’s en laat die groot afdrukken op canvas.
Punt 2
Zorg voordat je aan punt 1 begint dat minstens één muur een fijn kleurtje heeft. Woon je klein, neem dan een lichte tint. Heb je de ruimte, durf dan eens gek te doen. Moeilijk kiezen? Onzin. Je weet best waar je vrolijk van wordt. Valt het toch tegen, dan probeer je gewoon weer wat anders.
Punt 3
Een huis is geen huis zonder kaarsen en kussens. Vraag kaarsen voor je verjaardag en maak zoveel kussens als je maar wilt. Breien, haken, quilten, een mens doet wonderen met restjes wol en stof. Heb je het zelf niet in je, vraag het dan aan een Creabea uit je omgeving, echt, die doen niets liever.
Punt 4
Planten. Een mens kan pas echt ademen met levend groen om zich heen. Heb je geen groene vingers? Denk aan de goede, oude studentenplant die alles en iedereen overleeft: de sanseveria. Of de kat er nu in plast of je kleuter er een glas ranja in kiepert: niet kapot te krijgen.
Punt 5
Frutsels en dingetjes. Ja, je leest het goed. Want die geven de persoonlijke tutsj aan je interieur. Niks ingewikkelds, gewoon knutselarijtjes van de (klein)kinderen of van jezelf. Of souvenirs van je verre reizen. Of gewoon vaasjes van het drielandenpunt of een kop-en-schotel uit Zandvoort aan de Zee. Bang voor rommeligheid? Dan moet je groeperen. Knal alles bij elkaar op een dienblad of aan een prikbord. Succes verzekerd.
Nu zijn er vast weer types die gaan zitten miepen dat je al die gezelligheid moet soppen en afstoffen. Maar dat is helemaal niet waar! Je kunt volstaan met er 1 x per week krachtig overheen blazen. Doe ik zelf ook. En als je eens geen puf hebt, dan doe je het niet. Daar is hier in huis nog nooit iemand van dood gegaan. ’t Is tenslotte geen gezondheidszorg. Niet van dat benauwde; een beetje stof is broodnodig om gezonde weerstand op te bouwen.
Zo. En nu wil ik helemaal nooit meer iets horen over minimalisme of die gekke opruimMarie. Jullie hebben nu de grondbeginselen van het maximalisme te pakken en kunnen hier lekker op doorborduren. Of moet ik soms ook nog gaan uitleggen hoe je weer fijne gevulde boekenkasten krijgt en mooie complete garderobes? Nee toch zeker hè? Want al die tips in die weblogs, daar word je toch simpel van? Je kunt toch best eens wat zelf bedenken? Nou. Hup dan!

Wijs op woensdag: Maximaal leven, volop genieten

Een bijdrage van vaste gastblogger Pennie Wijs…

Heb je ook zo genoeg van dit jaar? Heb je zin in frisse ideeën, een ander interieur, een nieuwe levensstijl? Baal je ook van die minimalistische trend? Kortom, ben je er ook zo aan toe om eindelijk eens uit je saaie schulp te kruipen en je enige echte exuberante zelf lekker losjes door het dagelijks leven te laten dansen? Durf je het aan? Kom op dan en weg met dat benauwde en benepene. We gaan ons verdiepen in het maximalisme. De levensstijl waar je vrolijk lachend oud mee kunt worden. En nee, dat hoeft je geen cent extra te kosten. Geen angst, ik reik je de helpende hand.

Begin waar alle verbetering moet beginnen: bij jezelf. Kijk in de spiegel. Zie je er wat bleekjes en afgemat uit? Logisch na zo’n lang minimalistisch jaar van alleen maar spullen opruimen en dingen de deur uitdoen. Je bent jezelf compleet voorbijgelopen! Maar eigenlijk weet je best wat jou ontbreekt: kleur! Dus pak je make-uptas en tast toe. Begin met de ogen. Tussen wenkbrauw en wimpers bevinden zich drie zones. En die mogen gerust alle drie een aparte kleur hebben. Je hebt nog maar één kleur ogenschaduw in voorraad als gevolg van de minimalistische hype die de afgelopen periode woedde? Ja, ik heb nog zo gewaarschuwd. Maar geen nood, dan zet je alles in een en dezelfde tint, liefst een overtuigende. Beetje eng, al lang niet meer gedaan? Google even een foto van prinses Beatrix en je ziet hoe geweldig deze vrouw het populistische minimalisme heeft weerstaan door altijd vast te houden aan haar koninklijke, fleurige oogopslag. Mocht je toch nog zin hebben om weer eens wat op te ruimen: wég dan met al die aardetinten en zogenaamd natuurlijk ogende beige smeersels. Voor je het weet word je depressief van die pleisterkleurige rommel.

Dan komen we aan bij de mond. Ga nou niet voorzichtig zitten doen met onzichtbare lipgloss of roze voor kleine meisjes. Getverderrie. Je bent een volwassen vrouw die niet op haar mondje gevallen is, dus kom maar door met die dieprode of knalroze lippenstift. Lekker vet aanbrengen. En smeer meteen een likje op je wangen – nog even uitvagen – dan heb je gelijk een blosje in de juiste kleur. Ja, nou voel je je al heel wat beter hè? Doe nog effe wat met je haar. Niet te ingewikkeld, lekker losjes. Ik voorspel de terugkeer van ‘big hair’, dus touperen mág weer.

Nu je kleding. Je bent natuurlijk allang uitgekeken op die ene wintertrui of dat brave bloesje. Moet je nu naar de winkel hollen om nieuwe voorraad in te slaan? Absoluut onnodig. Bij de maximalistische levensstijl hoort een maximaal gevulde portemonnee, dus we gooien geen geld over de balk. Er is altijd genoeg in huis om goed mee voor de dag te komen. Denk aan combinaties. Trek eens drie bloezen over elkaar aan. Verrassend, of niet soms? Knoop eens een aantal sjaaltjes tegelijk over die trui en gooi er nog wat halskettingen overheen. Zie je wel? Het klinkt simpel, maar het is werkelijk waar: More is More!

Je schoenen kun je opfleuren door je hakken in een knallende kleur te verven. Of je plakt een oude broche of wat grote kralen op de neus (gebruik montagekit). En je gaat toch zeker niet meer in een effen jas rondlopen? Borduur er een mooie rand bloemen op. Of bomen of dieren, net waar je zin in hebt. Trek je sjaals en stola’s uit de kas en knoop er iets exotisch van. Kijk in je knopendoos en vul het rijtje al bestaande knopen op je jas aan met een paar vrolijke buren. Complimenten gegarandeerd. Als het goed is krijg je nu al een gevoel voor de juiste, maximalistische aanpak. Ga zo verder en leef je zo maximaal mogelijk uit.

Kijk tot besluit nog eens in de spiegel. Zet een vrolijk muziekje op. Nee, niet dat minimale gemurmel van Steve Reich of Philip Glass. De bedoeling is dat je wat enthousiaste danspassen gaat maken. Niet dat voorzichtige geschuifel, gooi die heupen maar eens los. Kies een bossanova of een samba. Of voor mijn part het Zwanenmeer van Tsjaikowski. Als de beentjes maar van de vloer gaan en de borsten en billen maar lekker schudden.

Zo, als het goed is voel je je nu al heel wat beter. Maar we zijn er nog niet. Volgende keer je interieur. Kijk nog maar eens goed naar die eenzame bloemenvaas en die sneue magere kandelaar. Want die zijn binnenkort volledig passé! Tot die tijd: volg je hart, want dat klopt.

Wijs op woensdag: Does it spark joy?

Een bijdrage van gastblogger Pennie Wijs:

De Japanse Marie krijgt steeds meer grip op mijn leven, of ik wil of niet. Haar levensles is gebaseerd op een vreemde mix van punt 1 gezond verstand en punt 2 nepspiritualiteit. Punt 1 zou iedereen op eigen kracht moeten kunnen hanteren, punt 2 is klinkklare nonsens, dat is mijn idee. Maar ondertussen. Hoeveel tegengas ik ook geef, ik krijg die dame steeds onverhoeds op mijn nek.

Zo zie ik net in mijn mailbox een berichtje van een vriendin die ‘Marie Kondo gedaan heeft aan haar schoenen’. Dat klinkt heel vies, maar Nederlands is niet haar moedertaal, dus dat is haar vergeven. Maar jongens. Het idee dat deze intelligente vrouw aan haar schoenen staat te snuffelen en zich afvraagt ‘does it spark joy?’, daar word ik gewoon een beetje zenuwachtig van. Tot overmaat van joy voegt ze nog een paar foto’s bij van haar actie. Ze heeft haar schoenenvoorraad uitgestald op haar eettafel. En aangezien haar collectie Imelda-Marcosachtige afmetingen heeft, is die tafel drie maal nodig om de nodige overzichtsfoto’s te maken. En ja, toen was het dus mijn beurt om eens lekker joy te sparkelen.

Want ik mail natuurlijk terug dat er niets weg kan. Mijns inziens. Waarom zou je? Het heeft aandacht, tijd en geld gekost om die voorraad op te bouwen. En het past in haar huis toch, want anders had ze er niet zoveel? Dus niks aan veranderen! Deed Imelda ook niet. Mijn advies: ga dansen met de dansschoenen, wandelen met de wandelschoenen, trek je laarzen aan in de regen en je sandalen als de zon schijnt. Kijk ondertussen goed of de kleur van de schoen matcht met de rest van je outfit en joy verzekerd.

Ondertussen komt er een mail binnen dat ze nu haar tassen gaat Mariekondoën. Echt waar! Met een foto. Het zijn er maar tien. Tien! Ik vind dat krap. Mijn advies: daar kan gerust wat bij. Krijg je ook leukere combi’s met de schoenen. Nu maar hopen dat ze mij uitnodigt om mee te gaan shoppen. Dan zal ik haar eens flink op stang jagen. Goed voor de tassenontwerpers. En de tassenfabrikanten. En de tassentussenhandel. En de economie in zijn algemeenheid. En vooral: goed voor onze gezamenlijke joy!

Wijs op woensdag: Koopje

Het was even stil rond onze gastblogger Pennie Wijs, maar nu laat ze weer van zich horen:

Een paar maanden lang was ik snorziek en kwam niet verder dan de route bank-bed. Afgewisseld met ritjes naar medische specialisten, dat wel. Tot er een dag aanbrak waarop ik voldoende kracht had verzameld om me weer in de buitenwereld te vertonen. Dat was hard nodig, want alle batterijen van mijn horloges waren intussen leeggeraakt en die dingen zijn onmisbaar om in wachtkamers te kunnen checken hoe lang je er al voor joker zit te wachten op geneesheren en -vrouwen.

Mijn eerste tocht ging dus – stevig ondersteund en krachtig voortgesleept door echtgenoot – richting winkelcentrum van een naburig stadje. O! Frisse buitenlucht! Zonneschijn! Vrolijke mensen op straat! Bloemenkraampjes! Een straatmuzikant! De wereld was blijkbaar gewoon door blijven draaien tijdens mijn langdurige en intensieve bestudering van het slaapkamerplafond. In de winkel waar mijn batterijen ververst zouden worden stonden vrolijke dames achter de toonbank met frisse gezichtjes, fruitige make-up, frivole kapsels en fijne kleertjes aan het lijf. Ik probeerde in opperste concentratie niét in de spiegel die vrouw met piekhaar te zien die als een grauwe dweil, gehuld in oude joggingbroek, zich vastklampte aan haar zorgzame wederhelft.

En zo – mijn blik angstvallig naar beneden gericht houdend – viel mijn oog op een rekje met armbanden. Heel mooie armbanden. Armbanden waar ik normaal gesproken niet naar kijk, omdat ze er veel te duur uitzien. Maar hier ging het om een aanbieding. Ik viste het meest opvallende exemplaar eruit en bestudeerde het prijskaartje. Gosternokkele, wat zit de wereld toch wonderlijk in elkaar. Oorspronkelijk was het de bedoeling dat men voor dit dingetje meer dan tweehonderd euro neer zou te tellen! Dat zou ik natuurlijk nog in geen tweehonderd jaar doen. Maar. Zag ik dat goed? Nu vroeg men slechts vijf euro voor dit juweeltje. Hoe kon dat?

De verkoopster wist het. Het was een merk. Vandaar die absurd hoge prijs, die volgens haar trouwens volkomen normaal was. En die vijf euro? Ja, daar werd ze even zenuwachtig van. Vast een foutje. Of nee, toch niet. Die collectie ging eruit. Ja, dat was het. En ruimtegebrek hè? Ik legde het geval op mijn pols. Zomaar voor het idee. Niet dat ik als grauwe dweil de intentie had me hiermee op te gaan sieren. Ik staarde er gedachteloos naar, zonder enig serieus plan.

Maar nu had ik buiten mijn man gerekend. Die zag in opperste verwondering aan hoe ik tekenen van interesse voor uiterlijkheden begon te vertonen. Dat was nog eens andere koek dan het gekreun en gesteun dat hij de afgelopen maanden had moeten aanhoren. Hier aanschouwde hij de eerste tekenen van een wonderbaarlijke genezing en dat proces diende krachtig ondersteund te worden, dat was wel duidelijk. Resoluut trok hij het complete rekje naar zich toe en maakte een gul gebaar van ‘alles afrekenen’.

Ja, zó ziek was ik nou ook weer niet, dus ik duwde de hele stellage verschrikt weer terug, maar hield wel het eerste exemplaar angstvallig in mijn knuisten geklemd. ‘Deze maar doen dan’, vroeg de fruitige juffrouw, en toen was ie van mij. Een kóópje, zo verzekerde ze me nog. Buiten op straat kreeg ik al meteen spijt. Want waar heb dat nou voor nodig – zo’n opzichtig geval? Daar ga je toch niet mee in je bed liggen? Maar ik hield mijn kop, want ik had hem een soort van cadeau gekregen en dan ga je niet lopen miepen.

Sindsdien verliet ik steeds vaker het bed. Ik werd regelmatig in een tuinstoel geplant en kreeg weer wat kleur. Ik werd naar een kapper getransporteerd en kwam er behoorlijk gefatsoeneerd weer vandaan. Wel vloekte ik nog steeds alle duivels uit de hel omdat ik me niet goed voelde, maar het was nu een kráchtig gevloek, niet meer dat zielige gekreun en gesteun. Kortom verbetering.

En nu viel er gisteren een uitnodiging voor een feestje in de bus. Ja, daar ga ik natuurlijk niet heen, veel te vermoeiend. Of wacht eens… zal ik misschien tóch? Het is immers een uitgelezen kans om met mijn nieuwe armband te pronken. Dan is die aankoop tóch niet zinloos. Zoals ik al zei: het is een opzichtig geval. Er zit een fel oranje lint in verwerkt. Vraag: waar staat dat eigenlijk bij, qua kleding? Héb ik wel iets in die kleur? Ik plukte mijn kledingkasten leeg. Daar vond ik een verschoten t-shirt en een oude bloes in de juiste kleur, maar nou niet dat je zegt: daar ga ik mee naar een feestje.

Op dat moment schoot me weer te binnen dat ik in mijn opperste bewaarlust eens een mooie oranje rok naar zolder had verbannen wegens veel te krap, maar je-weet-maar-nooit. Há. Zie je wel dat je nooit wat moet weggooien? Dat je niet moet luisteren naar die gekke opruim-Marie? Ik klom naar zolder en begon met mijn zwakke, vermagerde lijf te graven in de voorraad verhuisdozen. Studieboeken, zwemdiploma’s, wandeltochtmedailles, suikerzakjes, postzegelverzamelingen, poësiealbums (eerst even doorlezen natuurlijk!), slaapzakken, kampeerkooktoestellen, luchtbedden en jawel: kleding. Nu nog even doorzetten en kijk: doos met label ‘slank’. Nou, als je me nu niet slank vindt, dan word ik het nooit meer.

Ik ritste de doos open, woelde wat in de rondte, vond de oranje rok en trok hem aan. Hmmm, nu was ie op wonderbaarlijke wijze iets te groot geworden. Maar met wat plakband en veiligheidsspelden kon ik er vast iets passends van maken. Ik sleepte mezelf weer naar beneden en pakte de armband. Precies de goede kleur! Een waanzinnig aparte combinatie! Wacht, ik ging hem gelijk even omdoen. Altijd lastig, peuteren met één hand aan een slotje. Zelfs dit kreeg ik niet meer voor elkaar zonder man. Dus ik riep keihard hélp en dat ie moest komen.

Toen volgde een vreemde worsteling. Ik hield mijn pols op en mijn echtgenoot probeerde de armband erom te klikken. Maar als hij het slotje wilde sluiten werden mijn aderen afgeklemd. Of mijn huid raakte tussen het edelmetaal. Of allebei. Hij prutste en sjorde. Auw! Straks was ik niet alleen ziek, maar ook gewond. Of geamputeerd. Ik kreeg een angstig vermoeden. Dat ding was natuurlijk afgeprijsd omdat er geen vrouw bestond met slankere polsen dan ik. Onverkoopbaar. Oftewel: een miskoop. Nu werd ik echt nijdig. Ik hield mijn adem in. Spande al mijn spieren aan. Dácht mijn pols zo dun als nodig. Mijn echtgenoot wierp zich ook vol in de strijd. Plantte zijn voetzool in mijn maag. Zette af. Gaf alle kracht die hij in zich had en riep Waauw! Ik riep Aauw! Klik, zei de armband. En hij zat.

Nu durf ik hem niet meer af te doen. Hij moet om blijven tot de dag van het feest. Daar ga ik heen, hoe ik me ook voel. Ter voorbereiding ben ik allerlei armbewegingen aan het oefenen waarbij de armband goed in beeld komt. Dat het niet allemaal voor niks is geweest, dit koopje.

Gastblog: Studeren, lenen, uitgeven en sparen als een student

Op mijn stukje over het door het Nibud gepresenteerde onderzoek dat een deel van de studenten de aangevraagde studiefinanciering gebruikt om te sparen voor een huis kwamen veel reacties. De één veroordeelt het, de ander zegt het zelf ook te doen en weer een ander is misschien wel op een idee gebracht. Maar hoe is het eigenlijk als student om op jezelf te staan en geld te moeten lenen? Ik kreeg naar aanleiding van het blog contact met een studente die het leuk vond om daar een stukje over te schrijven, dit is haar verhaal:

Studeren, lenen, uitgeven en sparen als een student

Omdat er laatst veel interesse was naar het verhaal over studeren en lenen (voor een huis), wil ik ook graag een situatieschets meegeven van het leven van een student.

Toen ik begon met studeren, deed ik eerst een HBO opleiding in een stad vlakbij waar ik woonde. De busverbinding was goed, dus ik hoefde niet uit huis. Ik vroeg stufi aan en daar betaalde ik het collegegeld en de boeken van. De rest moest ik bij mijn ouders inleveren als huur. Dit was wat zuur – want als ik de opleiding niet afmaakte, zou ik ook al het geld terug moeten betalen (aan DUO) dat ik aan mijn moeder had gegeven voor de huur. 

Ik maakte mijn opleiding af en haalde mijn diploma. Dit was wel met een half jaar vertraging zodat ik geen stufi meer kreeg. Gelukkig liep ik stage en kreeg ik een stagevergoeding waar ik mijn collegegeld van kon betalen. De rest hield ik zelf. Ook had (en heb ik nog steeds) een bijbaantje van 7 uur in de week, wat geen vetpot was. Hiervan betaalde ik mijn maandelijkse kosten, onder andere mijn auto, verzekeringen, wegenbelasting en- toen ik stage ging lopen – een mobiel abonnement.

Na het voltooien van mijn HBO-opleiding bleef ik thuis wonen en heb ik een half jaar geprobeerd om een baan te vinden. Hoewel mij aan het begin van de studie een zeer rooskleurig beeld werd geschetst, was de werkelijkheid wat minder. Steeds kreeg ik te horen dat ik te weinig ervaring had en dat er blijkbaar net een crisis was geweest in het werkveld, waardoor er naast mij, ook nog vele anderen waren die juist wél een x aantal jaar werkervaring hadden. Ik heb gemerkt dat alleen diegenen die na hun stage konden blijven ‘plakken’ bij hun stage bedrijf een baan hebben gevonden met deze studie.

Door oplopende spanning thuis had ik er genoeg van en besloot ik mij aan te melden bij een universiteit en ik werd aangenomen. Omdat de OV-verbinding slechter werd (3+ uur voor een enkele reis) moest ik wel op kamers en verhuisde naar het oosten van het land. Ik vroeg stufi aan (het laatste jaar) en een lening.

Van de stufi en de lening betaal ik nu mijn huur en collegegeld. Vijf maanden per (school)jaar wordt het collegegeld afgeschreven. Daarnaast heb ik nog mijn baantje, hiervan betaal ik de rest van mijn uitgaven (mobiel, auto, verzekeringen en belasting). Ook krijg ik zorg- en huurtoeslag en is er ruimte om te kunnen sparen.

Ik probeer te sparen maar vind het moeilijk. Van huis uit heb ik nooit geleerd om te sparen. Mijn moeder is een impulsshopper en geen consuminderaar. De nieuwe keuken werd bijvoorbeeld gefinancierd met een lening. Wel was mijn moeder altijd tegen leningen, waardoor ik het weer moeilijk vond om te lenen voor mijn studie en huur.

Mijn kosten in het dagelijks leven zijn: verzekeringen, boodschappen, contributie voor een club (scouting), mijn hobby en benzine. Uitgaan doe ik niet, niet vanwege de kosten, maar meer omdat ik een huismus ben. Naast de huur, het collegegeld en de verzekeringen zijn mijn grootste kostenposten benzine en snacks/onnodige boodschappen. Die benzine is noodzaak, ik rijd elk weekend richting mijn ouders omdat ik mijn oude baan heb gehouden. Vooral het kopen van snacks is een moeilijk punt. De sociale druk is gelukkig wel laag, maar om elke hoek zit een snoepautomaat.

Met vallen en opstaan lukt het mij om onder mijn inkomsten uit te komen. Wel ben ik nog steeds bezig met het vergaren van huishoudelijke artikelen, zoals een ventilator tijdens de laatste hittegolf en een kaasschaaf. In april begaf mijn auto het en aangezien ik toch noodzaak heb aan een auto, heb ik deze moeten vervangen. Toen heb ik mijn spaargeld moeten aanspreken en €200 geleend van een vriend. Deze lening heb ik na een maand terugbetaald. Voor iets anders zou ik niet een lening willen afsluiten.

Op dit moment heb ik een buffer op weten te bouwen van €300. De buffer bestaat vooral uit extra inkomsten, zoals hier en daar klusjes voor de universiteit doen, te veel betaald geld (terugbetaalde voorschotten) en kleine marktplaats/facebook verkoopjes. Ook is het mij vorige maand eindelijk gelukt om het extra’s dat overbleef van die maand op mijn spaarrekening te storten.

Mijn doel voor deze zomer is om te leren om een budget op te stellen en me hier ook aan te houden. Tips en suggesties zijn natuurlijk altijd welkom!

                                                                          ~
Op Minimaal Leven kun je meer lezen over het financiële leven van deze studente. Ze is net haar eigen blog gestart en misschien vind je het leuk daar eens een kijkje te nemen!

Wijs op woensdag: Hisu

Een bijdrage van gastblogger Pennie Wijs:

Hiewatte? Nooit van gehoord zeker? Nou, ik tot voor kort ook niet. Maar nu wel.

Dat het leven niet eerlijk in elkaar zit weten we allemaal. Kijk om je heen en je ziet het. Op de tv, in de krant, in je stad en in je dorp. Zolang in je eigen leven de zon schijnt, wéét je dit allemaal wel, maar heb je er doorgaans niet zoveel last van. Het wordt anders als het noodlot ook bij jou aan de deur klopt. Of bij familie of vrienden. Dan lijkt het ineens zo immens triest en zinloos dat de buurvrouw kanker heeft, bij je schoonzus nierfalen is geconstateerd, of je zus in een psychose is geraakt.

Iedereen komt aan de beurt. De een vroeg, de ander later. En sommigen krijgen héél vaak een beurt. Oneerlijk! denk je dan. En je vraagt je af: hoe doen ze het toch? Al die mensen met ziektes en kwalen, hoe functioneren ze in hun dagelijks leven, hoe houden ze de moed erin? Iedere dag weer trekken ze ten strijde, voor mij zijn het helden!

Martine heeft hier veel geschreven over ME en hoe deze ziekte haar leven bepaalt. Wat alle lezers steeds opvalt is hoe positief ze er mee om gaat, hoe creatief ze steeds naar nieuwe mogelijkheden zoekt, en hoe ze nooit de moed verliest. Of nou ja, soms wel even natuurlijk, maar altijd krabbelt ze weer op en gaat ze weer door. Inspirerend om te lezen voor iedereen die moet leven met pijn en beperkingen. En vooral ook heel informatief. Met haar blog heeft Martine een grote bijdrage geleverd aan de bekendheid van en het begrip voor ME.

Daar moest ik aan denken toen ik hoorde over iemand die ook te kampen heeft met een nare, onbekende ziekte. Ook zij wil – net als Martine – laten zien hoe je ondanks alle problemen tóch een goed leven kunt hebben. Maar bovenal vindt ze het van belang dat er meer informatie beschikbaar komt over deze aandoening, zodat mensen die er mee te maken krijgen zich niet zo hopeloos alleen voelen en wat makkelijker de weg vinden naar de juiste behandeling.

Daarom is ze onlangs een blog gestart. Maak kennis met Esther, een positieve, jonge vrouw, en hoe ze het leven tegemoet treedt met deze moeilijke ziekte. Het gaat om Hidradenitis Suppurativa, kortweg Hisu genaamd. Haar blog: happyhisu.com. Misschien ken je mensen in je omgeving die je kunt helpen met deze informatie. Ik wens Esther veel lezers, veel succes met haar blog en veel levensgeluk!

Gastblog Gerhard Hormann


Vorige week schreef ik een recensie van het nieuwste boek van Gerhard Hormann, De omgekeerde werkweek, waarin hij het concept van korter werken onderzoekt. Een interessant boek dat zoals ik schreef goed is voor lange keukentafelgesprekken over hoe je meer balans krijgt tussen werk en privé. Hormann zelf leeft al zijn eigen omgekeerde werkweek. Hoe hij dat ervaart, vertelt hij hier zelf vandaag…

Bij simpel leven hoort simpelweg geen leedvermaak
Onlangs was ik te gast in het radioprogramma Spijkers met Koppen, waar ik een kleine tien minuten aan de tand werd gevoeld over De omgekeerde werkweek. Presentator Dolf Jansen deed dat met veel humor, waardoor ik een nog grotere fan van hem ben geworden dan ik al was. De meeste mensen kennen hem als een hardlopende druktemaker met blauw haar, maar ik heb het wat eendimensionale beeld dat ik van hem had radicaal bijgesteld na het lezen van zijn boek over Ierland en zat voorin de zaal tijdens zijn laatste oudejaarsconference.
In dat boek, dat hij samen met vriendin Margriet Jeninga schreef, staat een citaat dat ik met blauwe pen heb onderstreept en dat bijna was opgedoken in De omgekeerde werkweek. Op pagina 93 van Waar het gras altijd groener is noteert Jeninga: “Hij (= Dolf) vraagt zich af waarom hij zoveel moet van zichzelf, zoveel wil werken, waarom hij altijd op zoek is, terwijl hij hier en nu, in Ierland, weet dat alles er al is. Is dat wat muziek met je kan doen? Of is het deze plek, op een heuvel in zijn tweede moederland?”

Daarmee raakt ze volgens mij de kern van alles (en ook van al mijn boeken): het feit dat we rusteloos consumeren terwijl onze kasten uitpuilen en altijd maar lopen te rennen en vliegen zonder ons ooit af te vragen waar we nou eigenlijk naartoe op weg zijn. Sinds ik dat ben gaan beseffen, ben ik een ander mens geworden, al kun je net zo goed zeggen dat ik langzaam maar zeker weer helemaal mezelf begin te worden. Al die ballast die we met ons meetorsen, is onnodige ballast.
Een van de vragen die Dolf Jansen tijdens de radio-uitzending stelde, is of ik leedvermaak voel als ik op een zonnige lentedag op de racefiets zit, terwijl de rest van Nederland op kantoor aan het zwoegen is. Geen gekke vraag want als je op zomaar een doordeweekse dag iets leuks aan het doen bent, voelt dat een beetje aan als spijbelen. Tegelijk ben je stiekem ook alvast een beetje van je pensioen aan het genieten, waardoor je een grappige spagaat maakt tussen een scholier en een 65-plusser.
Maar leedvermaak? Ik ben dolblij dat ik op de racefiets zit en niet ergens in de file sta, maar daarmee houdt het meteen ook op. Als ik al een keer een lange neus trek, dan is het richting bank door zo snel mogelijk mijn hypotheek af te lossen. Met mijn boeken probeer ik niet te laten zien hoe slim ik ben of hoe goed ik het wel niet voor elkaar heb, maar probeer ik andere mensen juist attent te maken op de noodrem en de nooduitgang.
In die zin is het eerder omgekeerd, want ik geniet eigenlijk nóg meer van mijn vrije tijd en van het mooie weer als ik op zondagmorgen aan het fietsen ben en onderweg alleen maar blije mensen tegenkom die aan het hardlopen, wandelen, vliegeren of skeeleren zijn. Met het begrip “consumentenvertrouwen” kan ik al zeven jaar niet goed meer uit de voeten, maar ik weet alles van een zonnig humeur en een positief levensgevoel.
Mijn huis in Ierland staat gewoon in Zuid-Holland, maar net als Dolf Jansen zit ik het liefst op een bankje in de zon met een pen in de aanslag en een Moleskine op schoot. En dan maar hopen dat er net zulke mooie bespiegelingen in je opkomen als ik tegenkwam in dat boek (waar hij na de uitzending van Spijkers met Koppen meteen even zijn handtekening in heeft gezet). Al komt ook deze laatste uit de koker van zijn vriendin, want op pagina 96 noteert ze: “Kun je heimwee hebben naar een plek, terwijl je er nog bent?” Ik zou dat zelfs nog iets anders willen formuleren, want dankzij Dolf Jansen en zijn gezin krijg ik bijna heimwee naar een land waar ik nog nooit geweest ben.

~
Meer weten over het boek van Hormann? Lees hier de recensie: De omgekeerde werkweek

Wijs op woensdag: O Marie!

Pennie Wijs is in shock dat ook door haar zeer hoog gewaardeerde columnisten vallen voor Marie Kondo. Tot ze ontdekt dat Marie geen malloot is maar juist heel slim. Dát biedt perspectieven.

O Marie! Dat zei mijn oma altijd met een diepe zucht als ze iets verbazingwekkends hoorde. Dezer dagen moest ik veel aan mijn oma denken. Wat komt haar verzuchting nu goed van pas! Er is namelijk een zekere Marie – geen oerhollands type, maar een Japanse versie, niet dat dit er overigens in dit verband toe doet – die een ware hype aan het ontketenen is. En Marie is zo maf als een deur. Niet alleen moet je van haar zoveel mogelijk spullen de deur uit bonjouren, maar met wat er dan nog over blijft dien je op een nogal aparte manier om te gaan. Je bedankt je schoenen als je ze uittrekt voor geleverde diensten en sokken moet je niet oprollen als ze in het laatje gaan, want daar krijgen ze maar stress van.

Nou heb ik helemaal niks tegen malloten – ik heb pittige malloten onder mijn beste vrienden en zelf kan ik er ook wat van – maar ik vind het wel een beetje eng worden als mensen ze als wijze raadgevers gaan beschouwen. Iedere goeroe in spe vindt allicht wat volgelingen, mensen die de weg kwijt zijn en dringend behoefte hebben aan houvast in hun leven. Maar Marie hoeft zich niet te behelpen met een handjevol mafketels, die heeft al een wereldwijde aanhang opgebouwd. Best griezelig.

Onlangs schrok ik me dienaangaande onverhoeds een hoedje. Ik zat in een serieus dagblad een column te lezen van een verstandige vrouw. Aaf heet ze. Hoog opgeleid, schrijfster, helder denkend en formulerend, best wel een intellectueel zeg maar. Een echte boekenvrouw. En laat zij nou óók al in de ban zijn van die gekke Marie. Dat geloof je toch niet? Dat zo’n verstandige meid ook met spulletjes door haar huis loopt te klunzen omdat ze ruimte in haar hoofd wil? Ze had er nog foto’s bij gezet ook. Van de spulletjes die weg moesten.

Ik werd overvallen door een intense somberte. Dit is duidelijk geen hype meer, dit is massahysterie. Waar moet dat naar toe? En wat kan ik nog doen om de wereld te redden? Ik kan toch niet aan de gang blijven met mijn goedbedoelde waarschuwingen? En dan nog eens wat: hoe formuleer ik mijn argumenten in het Japans? Want je moet ellende altijd bij de bron aanpakken, heb ik geleerd. Natuurlijk had ik mijn schouders kunnen ophalen en weer verder kunnen gaan met mijn werk. Maar dat lukte niet meer. Want ik voelde langzaam maar zeker een inzicht opborrelen. Een pijnlijk inzicht.

Die Marie ís helemaal niet maf. Die is natuurlijk juist reteslim. Want hoe krijg je de halve wereldbevolking zo gek om vol overgave aan iets volkomen onzinnigs te beginnen? En hoe lukt het je de mensen daarbij het gevoel te geven dat ze goed bezig zijn en dat ze er ‘ruimte in hun hoofd’ van krijgen? Ik geef het je te doen. Dat hebben al héél wat psychiaters en psychologen ook geprobeerd, met heel wat minder succes. En hoe krijg je mensen zo ver dat ze je boeken over die driedubbelovergehaalde nonsens kopen en breng je ze daarbij ook nog in de overtuiging dat dit geen geldverspilling is maar een verstandige investering in hun persoonlijke ontwikkeling?

Jaja, dat was even een confronterend momentje. Wie is er in deze kwestie nou eigenlijk de slimmerik? Ik duidelijk niet. ’t Is die Marie, potverdrie! Maar kom op zeg, zoiets moet ik toch zeker óók kunnen bedenken? Iets dat in eerste instantie maf lijkt, maar stiekem toch iedereen aanspreekt en duizenden mensen in actie brengt. Duizenden volgelingen die grif geld neertellen om een boek te kopen over zo’n bedenkseltje. Het wordt tijd dat ik ook eens even creatief out of the box ga zitten denken. En laat dan de kassa hier in huis maar rinkelen. O Marie. In welke hoek zal ik het zoeken?

Vroeger had je ook al wel van die dingetjes, vooral met diëten. Je kan mensen met weinig moeite zover brengen dat ze de hele dag alleen maar appels eten of eieren. En dat ze daarbij denken dat ze gezond bezig zijn en helder in hun hoofd worden. Als je het goed aanpakt gáán ze zich nog gezonder voelen ook, dat is een mechanisme dat tussen de menselijke oren zit. Nooit zal ik al die gezellige tantes vergeten die jarenlang aan een sherrykuur zaten, tot ieders genoegen. Ze wilden dun worden, maar ze werden vrolijk. Op een dag was het ineens afgelopen met de pret, toen kregen ze plotseling het etiket ‘probleemdrinkster’. En toen werd de AA weer mode, ja die vrouwen maakten nog eens wat mee.

Maar goed. Nu ben ik dus even bezig om een conceptje te ontwikkelen. Ik ben er nog niet helemaal uit, als iemand nog een lumineus idee heeft houd ik me aanbevolen. Het moet iets zijn wat in eerste instantie een tikkie vreemd lijkt, wat toch simpel uitvoerbaar is en waar iedereen aan mee wil doen. Ik dacht te starten met een website en zodra het een beetje loopt schrijf ik er dan wat boeken bij. Daarna snel door naar tv, De Wereld draait door, Umberto Tan enzo. Vervolgens moeten er wat vertalingen gemaakt worden, te beginnen voor het Engelstalig publiek maar de Japanners zal ik zeker niet vergeten, dat beloof ik. Dus kom maar door met de ideeën.

Wijs op woensdag: Testcase minimalisme

Pennie Wijs snapt het niet en kan dat niet uitstaan, dus probeert ze het ook: opruimen

Van nature ben ik nieuwsgierig. Sommige verschijnselen intrigeren me. Hypes bijvoorbeeld. Waar komen die vandaan? Wie begint? Hangt er iets in de lucht, wat is dat ‘iets’ en hoe komt het dat er ineens een voedingsbodem voor is? Neem nou het minimalisme. Mensen werken allerlei zaken de deur uit, zaken die ze ooit leuk of nuttig vonden, anders waren ze die deur natuurlijk nooit in gekomen. Maar goed, kan gebeuren, op zich niks mis mee. Ware het niet dat er allerlei vreemde nevenverschijnselen bij komen kijken, waarvan ik denk: huh? Of eigenlijk zelfs: HUH???

Maar ja, wie ben ik? (Bescheidenheid is ook een eigenschap van me…) Theoretisch zou het mogelijk zijn dat de heilzame werking van het minimalisme aan mij voorbij gaat, omdat ik te dom/lui/star ben om de essentie ervan te vatten. En dat zou zonde zijn. Onderzoek alle dingen en behoud het goede! Bovendien wil ik ook wel eens ruimte in mijn hoofd, een opgeruimde geest, het gevoel dat ik weer kan ademhalen en al die andere exquise ervaringen en gemoedstoestanden waar die minimalisten over trompetteren.

Dus ik ging nadenken. Als ik nou eens een heel klein proefprojectje deed? De zolder is een gebied waar je flink kan scoren zo lees ik overal. Vooruit met de geit! Ik beklom de trappen en probeerde met een minimalistische bril mijn vertrouwde zolder te bekijken. Onder het schuine dak staat een rij verhuisdozen (8 stuks). Vóór die rij, daar waar het dak wat hoger wegloopt en dus meer ruimte is, kunnen er twee op elkaar staan. Een rijtje van 16 dus. Maakt samen 24 stuks. Nota bene, we hebben het hier niet over dozen met kerstspullen of hobbydingen (die staan ergens anders), maar over dozen met spullen die na de verhuizing (negen jaar geleden) niet uitgepakt zijn. Ja, bij een echte minimalist lopen nu reeds de rillingen over de rug, ik weet het…

Want waarom zijn die spullen niet uitgepakt? Simpel: er was geen kastruimte voor. Wij bewoonden een Pippi Langkousachtig pand, met diepe, hoge kasten op de meest onwaarschijnlijke plekken en die had ik allemaal volgestampt met mooie, fijne, nuttige en/of dierbare spullen. Heerlijk! Maar toen gingen we naar een nieuwbouwhuis, waar veel dingen fijn zijn (zoals: muisloos, tochtloos, vochtloos, kierloos, spinnewebloos en een energierekening zo laag dat je je iedere maand weer van dolle pret op de knieën slaat) maar een paar dingen toch minder fijn, waaronder: kastloos. Wie dat heeft verzonnen, ik weet het niet, maar het moet wel een man zijn.

Afijn, je kunt niet alles hebben in het leven, dus we stapten over mijn bezwaren heen en kochten voor het eerst van ons leven zo’n ellenlange kastwand die je wel meer in slaapkamers ziet en ik geef toe, het is héél erg oerlelijk, onromantisch en weet ik wat, maar meestal heb ik daar toch mijn ogen dicht en in het geval van ogen open zie ik ook niks, want geen bril op. In die Chinese muur paste mooi onze kleding en het beddengoed en toen was ie vol.

Een normaal mens heeft echter veel meer spullen. Slaapzakken om mee te kamperen of logees in te wikkelen, zwemvesten (ooit gedragen tijdens kanotochten, nu bewaard voor verwachte stijging zeespiegel), het kampeerkookstel met bijbehorend rekje, luchtbedden met pompje, vorige dekbedden (niet meer fijn genoeg om onder te slapen, wel handig voor nood in geval van zo snel stijgende zeespiegel dat we naar zolder moeten vluchten zonder tijd om dekbedden uit slaapkamer mee te nemen) rollen behang (met plakmiddelen en behangtafel) en ach, ga zo maar door, ik ga hier niet van die duffe lijstjes tikken die je overal al lezen kunt.

Dus makkelijk zat: dat kon allemaal niet weg. Maar. Er waren ook dozen met boeken. Boeken die niet dagelijks geraadpleegd worden en die in dit huis niet meer achter in diepe kasten weggestouwd konden worden. Zou daar iets mee te doen zijn? Een beetje zenuwachtig schuifelde ik richting boekendozen. Hoe was het ook alweer? Er zijn trucjes waarmee de minimalisten te werk gaan. Eerst tellen geloof ik. Je mag van iets 34 hebben. Of juist 68. Waarom onthoud ik dat soort getallen nooit? Niet gaan piekeren nu. Doorpakken.

Ik trok een doos open. Ja doei, heel veel boeken, die ging ik mooi niet tellen. Ik pakte er eentje op, sloot mijn ogen, concentreerde me en probeerde te voelen of ik er blij van werd. Of dat ik er energie van kreeg. Want dat gebeúrt! Bij minimalisten dan. Ik voelde of kreeg er niets van. Maar misschien kwam dat omdat ik met mijn ogen dicht zat. Voor de zekerheid besnuffelde ik het boekwerkje ook nog even. Helaas, niet die heerlijke, onmiskenbare oude boekengeur, het rook eigenlijk best neutraal. Waren dit dan de officiële signalen dat iets weg kan? Mijn hart begon te bonzen van opwinding. Zou het bij mij óók werken? Voorzichtig loerde ik tussen mijn oogharen. Wat had ik hier te pakken? Ach! Jéé! Kijk nou! Leerboek havo3. Een golf van herinneringen knetterde door mijn brein. Niet omdat ik ooit in havo3 zat, maar omdat ik er vóór stond.

En ineens waren ze er weer allemaal, de lieve schatten. En de donderstralen. Patricia met haar geblondeerde haar en nepwimpers. Natasja die alsmaar knalroze lippenstift zat te smeren. Wim, die ik in de voorste bank zette, omdat hij anders boterhammen met pindakaas achter de verwarming propte. Rick, die altijd verontwaardigd reageerde als ik hem betrapte op voorzeggen: ‘Dit kúnt u niet gehoord hebben, mevrouw!’ Marjolein die als het moment van huiswerk noteren was aangebroken steevast verbaasd uitriep: ‘Maar moest je een pén meenemen dan?’

En al die anderen. En het klaslokaal met de rammelende luxaflex. De muffe stank van ongewassen puberlijven in de vroege morgen. De docentenkamer. De idealistische collega’s. De zure zeurpieten. Het schoolplein. Het fietsenhok. De route die ik dagelijks fietste. Hoe ik mijn man leerde proefwerken na te kijken omdat ik het zo godsgruwelijk saai werk vond. Klasseavonden waarop eindeloos een lammenadige versie van La Bamba gedanst werd. Ooh. Those were the days.

Jamaar, jamaar, roepen de minimalisten nu, die herinneringen zitten toch in je hart en niet in die doos? Dat boek kan toch gerust weg? Nou, het klinkt misschien heel onattent, maar er zijn járen voorbijgegaan dat ik niet aan de lippenstift van Natasja en de pindakaasboterhammen van Wim dacht. Al die herinneringen floepten tevoorschijn uit dat boek. Zonder het boek waren Natasja en Wim misschien wel spoorloos uit mijn geheugen geglipt. Ik zat er een uur mee onder de strijkplank voor ik het terug legde. Toen had ik een heel vol en moe hoofd. Genoeg geruimd. Volgende keer weer verder. Nog 24 dozen te gaan. Min één boek.