Wensen en verlangens: schrijven

Schrijven is de rode draad in mijn leven. (Dat en koken, maar dáár ga ik het niet over hebben vandaag). Als kind was ik soms zó teleurgesteld over het einde van een boek, dat ik het herschreef. Of moest ik zó lang wachten op een vervolg van een favoriet boek, dat ik zelf maar in de pen klom en bedacht wat er volgens mij moest gebeuren. Ooit schrijf ik een boek, dacht ik toen.

In mijn jeugd schreef ik schriften vol. Met verhalen, anekdotes, soms met persoonlijke ontboezemingen en ook jarenlang dagboeken. Ik had penvrienden. Soms kende ik ze niet persoonlijk en kreeg ik het adres via een uitwisselingsproject van de lagere school. Zo schreef ik een tijd met ene totaal humorloze David uit Frankrijk. Soms kende ik ze wel en was de briefwisseling het resultaat van bijvoorbeeld een vakantievriendschap of een ziekenhuisopname of een verhuizing. Met mijn oude buurmeisje onderhield ik een briefwisseling vanaf ons achtste jaar (omdat haar ouders zo flauw waren om te verhuizen) tot we tegelijkertijd gingen studeren en stopten met schrijven, dat was niet meer nodig want we zagen elkaar bijna dagelijks.

Met mijn eerste vriendje wisselde ik brieven uit. Ook al zagen we elkaar een paar keer per week, toch schreven we elkaar ook minstens twee keer per week. Jarenlang. Hij schreef zijn brieven met een kroontjespen en die van mij werden geschreven met een speciaal voor dat doel aangeschafte Parkerpen. Het ging om de lol van het schrijven en ook wel omdat schrijven soms makkelijker is dan praten.

Dat vind ik nu nog. Ik kan op papier heel goed mijn gevoelens verwoorden, waar ik in het echte leven vaak de draad kwijt raak. Schrijven doe ik vanuit een ‘meer met mezelf in contact zijn’. Dat klinkt wat zweverig maar ik kan me gewoon beter concentreren als ik schrijf. Ooit schrijf ik een boek, dacht ik vaak.

Na mijn studie publicistiek bleef schrijven tijdens mijn werkende leven een rode draad. Ik werkte bij een uitgeverij, schreef de promotieteksten en brochures en was de hele dag op de een of andere manier bezig met het geschreven woord. Weliswaar niet altijd mijn geschreven woord, maar toch.

Later beperkte het schrijven zich tot het maken van heel uitgebreide werkinstructies voor de afdeling Klantenservice van het bedrijf waar ik toen werkte. Hoewel dat leidde tot gortdroge teksten, waarbij het enige criterium was dat de medewerkers na het lezen ervan begrepen wat ze moesten doen en in welke volgorde, vond ik ook dat leuk om te doen. Want wat had ik in de jaren ervoor zelf last gehad van slecht geschreven werkinstructies die maakten dat ik soms niet wist wat te doen. Dus ik deed wat ik leuk vond, schrijven, en het voelde nog nuttig ook.

Maar veel eer viel er natuurlijk niet aan te behalen. Hoe anders is het nu. Ik schrijf wat ik wil en wanneer ik dat wil. Ik schreef alleen nog steeds geen boek. Al hoop ik dat nog wel te doen voor ik dood neerval, maar voor nu gaat dat niet lukken. Hoe meer ik schrijf, hoe meer ik besef dat je een boek niet ‘zomaar’ schrijft. Een aantal vrienden van vroeger is of journalist of schrijver geworden en het idee van even een boek uit je mouw schudden, klopt totaal niet met de harde werkelijkheid van schrijven, schrappen, opnieuw beginnen, weer schrijven, haren uit je kop trekken en weer verder gaan. Dat is een tijdsinvestering en een concentratieklus die ik niet aan kan op dit moment in mijn leven. (Los van het feit of er een uitgever is die me wil uitgeven natuurlijk)

Dat laat ik dus maar zitten. Het zou vooral gaan om het besef dát ik het heb gedaan. Te weten dat mijn boek op de plank staat in een boekhandel, of misschien zelfs pontificaal in het midden op een tafel ligt. Pak mij! lees mij! Een zweempje ijdelheid is mij niet vreemd.

Voor nu ben ik tevreden met wat ik nu doe. Mijn droom komt weliswaar niet uit maar ik heb geleerd dat het ook veel voldoening geeft om te zoeken naar alternatieven. Om dat wat ik graag doe – schrijven – te gieten in een andere vorm. Geen boek maar een blog. Ook fijn. Zoals ik nu schrijf ken ik bovendien geen deadlines, hoef ik me van niemand iets aan te trekken, kan ik ongegeneerd schrijven over alles wat ik wil, van kattenspam tot financiële bewustwording en alles wat daar tussen zit. Ik kan spelen met de vorm waarin ik teksten giet. Ik heb nu meer vrijheid dat ik ooit heb gehad. En eigenlijk is dat helemaal top. Maar toch. Ooit schrijf ik een boek, denk ik soms.

Advertenties

Schrijven en taalgevoel

 

machine-writing-1035292_1920

Onlangs kreeg ik een mail van een bloglezeres met feedback. Ze leest mijn blog al geruime tijd en wilde persoonlijk reageren op een tekst van mij. Buiten dat wilde zij ook even haar ei kwijt. Het viel haar op dat ik in een door haar net gelezen stuk een taalkundige fout maak die zij al vaker heeft gezien bij mij. Ondanks mijn ‘bijna perfecte Nederlands’ (haar woorden, maar ik beschouw dat als een groot compliment) wilde ze mij hier toch even op wijzen.

Heel attent vind ik dat. De fout die ze benoemde is inderdaad één van mijn blinde vlekken. Prettig leesbaar schrijven, een correcte grammatica & spelling en soepel lopende zinnen vind ik belangrijk. Ik vind het tof dat iemand dit aanvoelt, de moeite neemt me te wijzen op een foutje en dat ook nog eens heel plezierig brengt.

Schrijven is één ding, correct taalgebruik is een ander ding. Natuurlijk heeft iemand die goed kan schrijven meestal een goed ontwikkeld taalgevoel. Maar dat is niet hetzelfde als alle regels kennen en weten toe te passen. Dat weet ik sinds ik een tijdje meedraaide op de redactieafdeling van een uitgeverij en gedesillusioneerd raakte over de teksten die door de auteurs werden ingeleverd. Zoveel fouten! Achter een goede schrijver staat een goede redacteur weet ik nu en redigeren is een vak apart.

Andermans teksten redigeren gaat mij redelijk af, misschien omdat er meer afstand is. Met mijn eigen teksten vind ik dat moeilijker. Ze zeggen wel eens dat schrijven vooral bestaat uit het kritisch schrappen – ‘kill your darlings’ – van je tekst. Dat is best moeilijk maar ik probeer het toch toe te passen op mijn eigen teksten. Hoewel ik blog voor mijn plezier en ik niet vind dat elke tekst hier van journalistiek niveau hoeft te zijn, bekijk ik wel bijna alles wat ik schrijf met een bepaalde blik. Is het een logisch geheel? Heeft elke alinea nut? (verbazingwekkend hoe vaak ik soms een hele alinea kan schrappen). Heeft de tekst een begin, middenstuk en eind? Zijn er woorden die te vaak worden gebruikt? (dan zoek ik even naar synoniemen) en zeer belangrijk: maak ik geen stomme fouten qua spelling en grammatica.

Dat laatste is altijd mijn angst geweest. Toen ik op de middelbare school kwam, had ik nog nooit van het kofschip gehoord! “Fokschaap dan?” probeerde de docent Nederlands nog even. Maar ik – en met mij alle pubers die op de Faunaschool in Wormer hadden gezeten – keken hem glazig aan. Kofschip? Nee, nooit van gehoord. We gingen wel altijd met de hele school leuk stoepkrijten als het mooi weer was. En we hadden een volière in de klas. Ook wisten wij buitensporig veel van motoren, de hobby van onze meester. Maar het onderdeel grammatica en spelling had wat minder aandacht gekregen.

Dat is altijd een gebrek gebleven. Ik heb mezelf veel aangeleerd door er over te lezen en vaak iets op te zoeken. Gelukkig heb ik van nature wel taalgevoel en zijn de d’s en de t’s bij mij meestal wel goed. Maar, ik ben wel kampioen ‘zin omgooien’ geworden. Bij twijfel (ook over een d of t) gooi ik de zin altijd om en hop, het probleem  is meestal opgelost. En dan nog maak ik fouten. Gewoon omdat ik het soms niet zie, soms te lui ben, soms een slechte dag heb en me niet kan concentreren en soms ook echt niet weet dat iets fout is.

Vreemd genoeg werd tijdens mijn universitaire opleiding Publicistiek nauwelijks aandacht besteed aan grammatica en spelling. Ik stroomde na het propedeusejaar Geschiedenis door naar Culturele Studies en dan specifiek Publicistiek. Een opleiding waarbij wij getraind werden onze kennis – in mijn geval was dat cultuurgeschiedenis – te gieten in goed leesbare verschillende soorten teksten. Denk aan artikelen voor een tijdschrift of krant. Onze teksten werden door journalisten en auteurs zoals bijvoorbeeld Arnold Heumakers, Willem van Toorn, Michaël Zeeman en Pauline Slot, regelmatig volledig met de grond gelijk gemaakt (in mijn geval zeker, ik was een matige student). Maar al te vaak diende ik een tekst vijf keer opnieuw in – allemaal op een ouderwetse typemachine geschreven – voordat het enigszins acceptabel was volgens de schrijfgoden. We kregen overal kritiek op, denk aan het ritme van de zinnen, hoe we de boodschap brachten, het onderwerp zelf, gebruik van stijl, citaten. Ik heb er enorm veel van geleerd. Maar zelden of nooit was er voor mij bruikbare kritiek op mijn spelling en grammatica. Dat werd bekend verondersteld. Je werd geacht het Groene Boekje in je bezit te hebben en verder zocht je het maar uit.

Schrijven via internet is weer een vak apart. Toen ik studeerde in de oertijd, was internet nog helemaal niet aan de orde en ook nog niet tijdens mijn latere baan bij een uitgeverij. Publiceren was een langzaam proces met veel correctielagen en nam veel tijd in beslag. Het voordeel van internet is de snelheid. Het nadeel van internet is natuurlijk ook de snelheid. Als blogger kun je zó iets publiceren en snelheid maakt maar al te vaak slordig.

correcting-1870721_1920Gelukkig kun je tegenwoordig alles heel snel opzoeken en ook je kennis opfrissen op sites als die van Onze Taal, wat ik dan ook regelmatig doe. Maar dat kan alleen wanneer ik door heb dat ik iets niet weet. Ik twijfel wel vaak – schrijf je ‘hierop wijzen’ of ‘hier op wijzen’? Hé, nu staat er iets heel anders!- wat nu correct is.  En zo ontdekte ik pas een paar jaar geleden dat het ‘onmiddellijk’ is en niet ‘onmiddelijk’, ondanks regelmatig gebruik van spellingcontroles. Ik ben dan zo’n gek die ondanks mijn onzekerheid dan tóch denkt dat de spellingscontrole het fout heeft ;-). Blinde vlekken zullen er altijd zijn.

Wat is jouw blinde vlek?

 

(bron afbeeldingen Pixabay)